Keukenwoordenboek

Culinaire termen

Kom je een term tegen in een recept en weet je niet meteen wat het betekent? Hier vind je meer dan 120 kooktermen, in gewone mensentaal uitgelegd.

Snijtechnieken

Julienne

In heel fijne, gelijke reepjes snijden, zo dik als een lucifer. Vaak voor wortel, prei of courgette.

Brunoise

In heel kleine, gelijke blokjes snijden van een paar millimeter. Fijner dan gewoon in blokjes.

Macédoine

In blokjes van ongeveer een halve centimeter, meestal van groenten of fruit.

Paysanne

In dunne, platte vierkantjes of driehoekjes gesneden.

Bâtonnet

In gelijke staafjes gesneden, dikker dan julienne (ongeveer frietvorm).

Émincer (snipperen)

In heel dunne plakjes of fijne stukjes snijden, zoals een ui versnipperen.

Ciseler

Heel fijn snipperen, vooral van ui of verse kruiden.

Hacher

Fijnhakken met het mes.

Chiffonade

Bladgroenten of kruiden (basilicum, spinazie) oprollen en in fijne linten snijden.

Concassé

Ontvelde en ontpitte tomaat, in nette blokjes gesneden.

Mirepoix

Grof gesneden mengeling van ui, wortel en selder als smaakbasis voor sauzen en fonds.

Tourneren

Groenten zoals aardappel met een mesje tot een regelmatige tonvorm draaien.

Escaloperen

In dunne, schuine plakken snijden, zoals zalm of een kalfsoester.

Fileren

Graten en vel van vis verwijderen en mooie filets uitsnijden.

Trancheren

Een groot stuk vlees of gevogelte in nette plakken versnijden.

Pareren

Vet, pezen en vliezen van vlees of vis netjes wegsnijden.

Fonds, sauzen & binden

Fond

Krachtig aftreksel van beenderen, vlees of groenten; de basis van veel sauzen (fond brun = bruin, fond blanc = blank).

Bouillon

Heldere, gekruide aftreksel van vlees, gevogelte of groenten.

Fumet

Geconcentreerde, krachtige visbouillon.

Court-bouillon

Gekruid kookvocht om vis of schaaldieren in te pocheren.

Roux

Gelijke delen boter en bloem samen gegaard; bindmiddel voor sauzen, wit/blond/bruin naar gaartijd.

Beurre manié

Koude boter en bloem tot een pasta gekneed, om een saus op het einde te binden zonder ze nog hevig te koken.

Singeren

Bloem over aangebakken vlees of groenten strooien om het stoofvocht te binden.

Liëren (binden)

Een saus of soep dikker maken, bijvoorbeeld met zetmeel, eierdooier of room.

Liaison

Klassieke binding met een mengsel van eierdooier en room.

Monteren

Een saus net van het vuur afwerken met klontjes koude boter, voor glans en zachtheid.

Reduceren (inkoken)

Een vloeistof laten verdampen zodat ze indikt en de smaak zich concentreert.

Deglaceren (blussen)

De aanbaksels in de pan losweken met een scheut vocht (wijn, bouillon).

Napperen / enroben

Een gerecht gelijkmatig met een dun, glanzend laagje saus bedekken.

Emulsie

Binding van vet en vocht die normaal niet mengen, zoals in mayonaise of vinaigrette.

Bechamel

Witte saus van een roux met melk; een van de klassieke moedersauzen.

Velouté

Lichte saus van een blonde roux met een blanke fond.

Espagnole

Klassieke bruine moedersaus op basis van een bruine fond.

Demi-glace

Sterk ingekookte, volle bruine saus.

Hollandaise

Warme, luchtige botersaus met eierdooier en citroen.

Bearnaise

Hollandaise op smaak gebracht met dragon en een azijnreductie.

Beurre blanc

Botersaus met een reductie van sjalot en witte wijn.

Coulis

Gladde, gezeefde saus van fruit of groenten.

Jus

Het natuurlijke braadvocht van vlees, vaak licht gebonden.

Bereidingstechnieken

Blancheren

Heel kort koken en meteen afschrikken in ijswater; houdt kleur en beet.

Pocheren

Gaar laten worden in vocht net onder het kookpunt (het trilt, maar borrelt niet).

Sudderen

Heel zachtjes laten koken, net onder de kook.

Stoven

Zacht garen in wat vocht, met het deksel op de pot.

Smoren / braiseren

Eerst dichtschroeien, daarna langzaam garen in weinig vocht met deksel.

Stomen

Garen boven kokend water, in de damp.

Sous-vide

Vacuüm verpakt garen op een lage, precieze temperatuur in een waterbad.

Sauteren

Kort en fel bakken in weinig vet, al schuddend zodat alles gelijk kleurt.

Zweten (suer)

Groenten zacht laten garen in vet zonder ze te laten kleuren, tot ze glazig zijn.

Saisir (dichtschroeien)

Vlees heel snel op hoog vuur dichtbakken zodat de sappen binnenblijven.

Rissoleren

Knapperig goudbruin bakken.

Frituren

Onderdompelen en garen in hete olie.

Wokken

Snel roerbakken op heel hoog vuur in een wok.

Confijten

Heel traag garen op lage temperatuur in vet of siroop, tot boterzacht.

Infuseren (laten trekken)

Smaak laten afgeven aan een vloeistof, zoals kruiden in warme melk.

Marineren

Vlees, vis of groenten vooraf laten trekken in een kruidige vloeistof.

Pekelen

In zout of pekelwater leggen voor smaak en bewaring.

Roken

Met rook smaak geven en tegelijk bewaren.

Au bain-marie

Zachtjes verwarmen of smelten in een kom boven een pan met heet water.

Flamberen

Een gerecht overgieten met sterke drank en aansteken zodat de alcohol verbrandt.

Tempereren

Op de juiste temperatuur brengen, bijvoorbeeld ingrediënten op kamertemperatuur laten komen.

Bakken, braden & oven

Bakken (poêleren)

In de pan garen in wat vet.

Braden

Een groot stuk vlees garen in vet, in pan of oven, met regelmatig bedruipen.

Rôtisseren / roosteren

In de oven garen met wat vet, zoals gevogelte of een gebraad.

Bedruipen (arroseren)

Tijdens het braden overgieten met het eigen vet en vocht zodat het niet uitdroogt.

Gratineren

Onder de grill een goudbruin korstje vormen, vaak met kaas of paneermeel.

Grillen

Op hoog, droog vuur roosteren in een grillpan of op de barbecue.

Paneren (à l'anglaise)

Door bloem, los ei en paneermeel halen voor een krokante korst.

Blindbakken

Een taartbodem eerst zonder vulling voorbakken, met bakgewichten erop.

Rijzen

Deeg laten opzwellen door de werking van gist of zuurdesem.

Kneden

Deeg bewerken zodat het gluten vormt en mooi elastisch wordt.

Toeren

Boter intoeren in deeg door herhaald vouwen en uitrollen, voor bladerdeeg.

Bestuiven (fariner)

Licht met bloem bestrooien zodat iets niet plakt.

Deeg, patisserie & dessert

Beslag

Een vloeibaar tot half-vloeibaar deeg, bijvoorbeeld voor cake, wafels of pannenkoeken.

Abaisse

Een uitgerolde lap deeg.

Pâte brisée

Kruimel- of korstdeeg, voor hartige en zoete taarten.

Pâte sablée

Zoet zanddeeg, kruimelig en bros.

Pâte feuilletée

Bladerdeeg, met fijne laagjes door ingetoerde boter.

Pâte à choux

Soezendeeg, voor soezen en éclairs.

Crème pâtissière

Banketbakkersroom: dikke vanilleroom met eierdooier.

Crème anglaise

Lopende vanille-eiersaus.

Ganache

Mengsel van chocolade en warme room.

Bavarois

Luchtig dessert van crème anglaise, room en gelatine.

Meringue

Stijfgeklopt eiwit met suiker.

Spatelen (onderspatelen)

Voorzichtig mengen met een spatel om de lucht te bewaren, bv. eiwit door beslag.

Au ruban

Eierdooiers met suiker bleek en dik kloppen tot ze als een lint van de garde lopen.

Lobbig kloppen

Room half opkloppen tot ze net dik wordt maar nog soepel is.

Stijfkloppen

Eiwit of room kloppen tot stevige pieken.

Pommade

Zachte, smeerbare boter op kamertemperatuur.

Chocolade tempereren

Chocolade gecontroleerd op- en afwarmen voor glans en een mooie breuk.

Karamelliseren

Suiker laten smelten en bruinen tot karamel, of de natuurlijke suikers laten kleuren.

Gelatine weken

Blaadjes gelatine zacht laten worden in koud water vóór gebruik.

Zeven

Bloem of poedersuiker door een zeef halen om klontjes te vermijden.

Nappage

Glanzend afdeklaagje op gebak, bijvoorbeeld abrikozengelei.

Glaceren (glazuur)

Een glanzend laagje suiker of glazuur aanbrengen.

Smaak, boter & afwerking

Bouquet garni

Bundeltje kruiden (tijm, laurier, peterselie) dat meetrekt en daarna verwijderd wordt.

Zeste

De dun geraspte, geurige buitenste schil van een citrusvrucht.

Suprême (citrus)

Citruspartjes vrijgesneden van vliesjes en wit.

Geklaarde boter

Boter waaruit de melkbestanddelen zijn verwijderd; verbrandt minder snel.

Beurre noisette

Lichtbruine, nootachtig geurende boter.

Beurre noir

Verder gebakken, donkerbruine boter.

Fleur de sel

Fijn, schilferig afwerkzout.

Umami

De vijfde basissmaak: hartig en vol, zoals in bouillon, kaas of tomaat.

Reductie

Een ingekookte, geconcentreerde vloeistof vol smaak.

Vinaigrette

Dressing van olie, azijn en smaakmakers, een lichte emulsie.

Op smaak brengen

Afsmaken met zout, peper, zuur en kruiden tot het evenwicht klopt.

Afblussen

Een hete bereiding stoppen of temperen met een scheut koud vocht.

Keukentaal & presentatie

Mise en place

Alles klaarzetten en voorbereiden vóór je begint te koken.

À la minute

Pas op het moment van serveren bereiden.

À la carte

Per gerecht kiezen van de kaart.

Garnituur

De afwerking of het bijgerecht op een bord.

Dresseren

Een bord mooi opmaken en aanrichten voor het serveren.

Quenelle

Een ovaal schepje gevormd met twee lepels, bv. van puree, mousse of ijs.

Amuse

Klein hapje vooraf, met de groeten van de chef.

Couvert

Het gedekte plaatsje per gast: bord, bestek en glazen.

Brigade

Het keukenteam met een vaste taakverdeling.

Al dente

Letterlijk "op de tand": pasta of groenten gaar, maar nog stevig met een lichte beet.

Croûtons

Geroosterde of gebakken broodblokjes.

Larderen

Mager vlees doorrijgen met reepjes spek tegen uitdrogen.

Barderen

Een stuk vlees of gevogelte omwikkelen met spek.

Klaren

Een vloeistof helder maken, zoals geklaarde boter of een heldere bouillon.

Gereedschap

Mandoline

Keukenschaaf voor flinterdunne, gelijke plakken.

Chinois

Fijne, kegelvormige puntzeef voor gladde sauzen en soepen.

Garde

Een (ballon)klopper om te kloppen en luchtig te maken.

Spatel / pannenlikker

Om te scheppen, te keren en de kom schoon te schrapen.

Passe-vite (roerzeef)

Om groenten of fruit tot puree te draaien zonder vellen of pitten.

Vergiet

Om af te gieten en te laten uitlekken.

Sauteuse

Ronde pan met schuine wanden, ideaal om te sauteren.

Hapjespan

Brede pan met rechte wanden voor bakken en stoven.

Bakgewichten

Korreltjes of droge bonen om een taartbodem blind te bakken.

Kernthermometer

Voor de kerntemperatuur van vlees, of voor suiker en chocolade.